

‘De generaties vóór mij konden hun verhalen niet vertellen. Maar ik kan dat wel’
Interview‘Geen sprake van’, zei Bertien Minco (62), als er voorzichtigjes naar werd gehengeld. Ze zat al zo lang in de raad van toezicht, zou ze niet ook directeur willen worden van Herinneringscentrum Kamp Westerbork? Maar nee, ze zag er niets in om elke dag ‘in dat zware onderwerp’ te zitten. Dacht ze. Ze zwichtte, uiteindelijk. ‘Vanaf dat moment is het totaal omgedraaid. Ik krijg er ongelooflijk veel energie van. Het klinkt gek, maar het voelt echt alsof ik ben thuisgekomen.’
Het Herinneringscentrum gonst: een schoolklas, bussen vol mensen, zo is het steeds, vertelt Bertien Minco. Het afgelopen jaar kwamen er maar liefst tien procent meer bezoekers dan het jaar daarvoor. De Tweede Wereldoorlog fascineert, ook – of misschien wel juist – na al die jaren nog.
Die eerste generatie sprak niet, zegt Minco, directeur van Herinneringscentrum Kamp Westerbork. ‘Aan welke kant je ook stond: iedereen schaamde zich. De overlevenden omdat zij het hadden overleefd en anderen niet. De daders omdat ze aan de verkeerde kant van de geschiedenis hadden gestaan. De omstanders omdat ze het hadden laten gebeuren.’
Minco’s moeder overleefde de oorlog omdat ze ondergedoken zat, en ook zij schaamde zich. ‘Zij had de diepe overtuiging dat ze geen recht van spreken had, omdat zij niet in een kamp had gezeten. Want díe mensen, díe hadden pas geleden.’
Dozen vol spullen
De oorlog is een nationaal trauma, zegt Minco, en voor trauma’s was decennialang gewoon geen ruimte en geen tijd. ‘Maar nu denken we anders. Er worden huizen leeggeruimd, er duiken dozen vol spullen op, en de generatie die nu aan zet is, benoemt en bespreekt juist wél alles.’
Ze merkt het ook aan de vragen die het Herinneringscentrum krijgt. Over een vaasje dat een buurman ooit aan zijn ouders in bewaring gaf en dat nooit is opgehaald – weten ze in Westerbork misschien of er nog nabestaanden van die buurman zijn? ‘Soms lukt het om die familieleden op te sporen. Sommigen zijn heel blij om zo’n voorwerp terug te krijgen. Anderen zeggen: het is te laat, nu hoeft het niet meer.’
Verhalen verbinden
Misschien helpt ook de aandacht rondom de herdenkingen van tachtig jaar Bevrijding. Niet dat de joodse gemeenschap daar veel mee heeft, haast Minco zich te zeggen. ‘Wij kregen na de Bevrijding te horen dat onze families dood waren. Dan valt er niet zo veel te vieren.’ Maar hoe het ook zij: de oorlog leeft. ‘Er moet nog wat.’
Maar wat dan precies? ‘Nou, ik denk dat er veel behoefte is om verhalen te verbinden. Ik kom uit een joodse familie, dus voor mij is herdenken en gedenken een werkwoord, iets wat voor mijn leven noodzakelijk is. Ik sprak eens iemand die zei niet zoveel met 4 mei te hebben, en dat schokte me heel erg. Ik dacht: hoe kan het dat wij in dezelfde samenleving leven, terwijl het voor de ene niet en voor de andere juist heel belangrijk is? Dat voelt heel eenzaam.’
‘Ik denk dat het belangrijk is dat ieder zijn aandeel en zijn rol bekijkt, ook voor andere geschiedenissen – de slavernij bijvoorbeeld. We kunnen het niet goedmaken of overdoen. Maar het is wel goed om ernaar te kijken. En vragen te stellen.’

Gedenklaan
Ook herdenken en gedenken gaan met de tijd mee, Minco en haar team zijn daar constant mee bezig: hoe zorg je dat verhalen beklijven? Om kinderen te bereiken, organiseerden ze weleens theatervoorstellingen gebaseerd op echte bronnen: verhalen, briefjes die uit treinen zijn gegooid, dagboeken.
‘Dat was onwaarschijnlijk goed. Voor kinderen zijn persoonlijke verhalen ontzettend belangrijk, vooral over leeftijdsgenoten. Tegelijkertijd moet je wel duidelijk maken dat het ging om een systematische vernietiging.’ Ze zegt: ‘De bronnen die we hébben, daar moeten we veel meer mee doen. Echt goede interviews houden en daar goede opnames van maken. De dag komt waarop er geen mensen meer zijn die het zelf hebben meegemaakt.’
En er zijn nieuwbouwplannen. Er komt een gedenklaan, een wandelroute van drie kilometer waarlangs zuilen staan, voor elke trein die naar de kampen reed een zuil. In elke zuil worden de namen gebeiteld van de mensen die bij dat transport zijn weggevoerd. ‘Tijdens die wandeling zul je ervaren hoe vaak de treinen gingen, hoeveel mensen erin zaten, en hoe weinig het hebben overleefd.’
Superman
Vanuit lijstjes op het dressoir tegenover haar bureau kijken gezichten van familieleden in dromerig sepia haar aan. Minco wijst ze een voor een aan, noemt hun namen. Wat vaak vergeten wordt, zegt ze, is de tijd vóór de oorlog. ‘Die trotse tijd waarin mensen blij waren met hun leven, omdat ze een mooi gezin hadden, een leuke kleermaker waren, een goede bakker of wat dan ook. Mensen willen helemaal niet herdacht worden omdat ze in een kamp zijn vermoord. Mensen willen herdacht worden omdat ze leuke mensen waren. Daarmee worden ze menselijk. Daarom staan deze foto’s hier. Als je naar ze kijkt, dan denk je: wat een aardige mensen zijn dat.’
Ze wijst naar twee ondeugende snoetjes. ‘Dit zijn Max en Philip, neefjes van mijn vader. Ik stel me altijd voor dat je aan zulke jongetjes vraagt hoe ze herinnerd willen worden. Dan zullen ze zeggen: omdat ik superman ben, of omdat ik goed kan voetballen. Niet omdat ze vermoord zijn in Auschwitz.’
Thuiskomen
Jarenlang zat Minco in de raad van toezicht van het Herinneringskamp en dat was genoeg, het directeurschap
was niets voor haar, elke dag met die oorlog bezig, nee, dank je. Maar toen het toch op haar pad kwam, dacht ze: vooruit, laat ik het dan voor mijn moeder doen, zij was een van de oprichters van het Herinneringscentrum. ‘En wat denk je? Ik krijg er ongelooflijk veel energie van. Het klinkt raar, maar het voelt wel zo: alsof ik ben thuisgekomen.’
Waar zit ’m dat precies in? Ze valt even stil. ‘Misschien om op een bepaalde manier iets recht te zetten’, zegt ze dan. ‘Er is niets rationeels aan, maar ik voel me gesteund door de generaties vóór mij. Zij staan achter me, als een voortstuwende kracht. Zij hebben hun verhaal niet kunnen vertellen. Maar ik kan dat wel. Ik kan hun recht doen.’
- Auteur: Karin Sitalsing
- Fotograaf: Frank Ruiter
