

‘Als ze bellen om te spelen: ik doe het niet meer’
InterviewMet Blaosmuziek beleefde zanger Gé Reinders (70) een kwart eeuw geleden zijn grote muzikale doorbraak. Zingen in het dialect bracht hem naar fan Toon Hermans, met wie hij ging samenwerken. Corona maakte onverwacht een einde aan het succes. Optreden en solo-platen maken doet hij niet meer. Gé Reinders, thuis in Roermond: ‘Ik hoef geen omzet meer te draaien, dat geeft een heerlijk rustig gevoel’.
Een mooie voorjaarsdag. Gé Reinders fietst samen met echtgenote Marjan zijn muzikale doorbraak tegemoet, al weet hij dat op dat moment nog niet. Buiten bij grand café De Harmonie in Linne speelt een blaasorkest. Het koperwerk schittert in de zon. De muzikanten spelen met volle overtuiging. Voorbijgangers houden halt. Een ober, die behendig een dienblad bier uitserveert, maakt het oud-Limburgs zondagmorgenplaatje compleet.
Fietsend componeren
Het tafereel laat Reinders niet meer los. Kort daarna, op de fiets van werk naar huis - hij staat in die tijd als muziekdocent voor de klas in Heythuysen - , ontspint zich in zijn hoofd muziek en tekst voor wat gaat heten Blaosmuziek.
Blaosmuziek op eine sjone zóndigmorge
Blaosmuziek bleust mich ómver
Mit toeters en bellen ’n sjoon verhaol vertelle
Zondigmorge blaosmuziek blaos mich riek
Blaosmuziek nestelt zich in de Limbo Top 100 en vanaf 2003 in de landelijke Top 2000, met nummer 27 als hoogste notering. Vijfentwintig jaar later wordt de Limburgse luisteraar nog altijd minimaal twee keer per jaar herinnerd aan die mooie voorjaarsdag in Linne.
Volle zalen
Met het liedje voor de eeuwigheid begint het gesprek bij Gé Reinders, thuis in Roermond. Een zwarte vleugel beslaat een groot gedeelte van de tuinkamer van waaruit de zanger de merel zag die hem inspireerde tot een andere evergreen, D’n Haof. Aan echtgenote Marjan droeg hij prijsnummer Aad waere mit dich op. Zijn vrouw zette hem succesvol in de markt. Alles gebeurde in eigen beheer: van de plaatverkoop tot en met de theaterboekingen. Overal speelde de in Beringe geboren Reinders voor volle zalen, van Maastricht tot Groningen. Zijn cd’s in het dialect gingen ook in ‘Holland’ over de toonbank. ‘Marjan heeft een marketingachtergrond. Ze is heel slim.’ ‘Dank je wel’, klinkt het vrolijk vanuit de woonkamer waar zijn vrouw tv aan het kijken is.
Schaterlachend schakelt Reinders over op zijn onverwachte ‘vervroegd’ pensioen in 2020. Corona luidde het einde in. De lopende tournee werd onderbroken wegens de lockdown. Sassenheim op 7 maart was het allerlaatste optreden, hoewel het slotakkoord gepland stond voor later dat jaar, in Paradiso. De datum werd nog naar achteren geschoven, naar 2024, maar het kwam er niet meer van. Reinders: ‘Tegen die tijd zou ik eerst try-out-optredens moeten doen om weer in de wedstrijd te komen. Inmiddels was ik gewend geraakt aan een leven zonder theater. Paradiso belde. Ik zei: “Ik stop ermee”.’

Edison
Zijn nieuwe leven - Reinders wandelt en fietst veel, golft wekelijks, zit op pianoles, speelt nu ook basgitaar en schrijft liedjes met aanstormend talent - bevalt hem uitstekend. ‘Als ze bellen om te spelen: ik doe het niet meer’, klinkt het resoluut. ‘Natuurlijk, het is een klotetijd voor de wereld, maar voor Marjan en mij is het een fijne tijd. Weet je wat het allerfijnste is? Ik hoef niks meer te verkopen. Altijd was er die druk. Zie eerst maar eens uit de kosten te komen bij het maken van een cd. Voor Blaos mich ’t landj door (2008, red.) kwam uit elke provincie een blaasorkest opdraven. We betaalden alles, inclusief de busreizen. Die plaat heeft zeker 70.000 euro gekost. Een groot financieel risico, klopt, maar we wonnen er een Edison mee. De verkoopcijfers schoten omhoog.’
Trouwens, Gé Reinders bestaat bij toeval. Zijn vroeg gestorven vader wilde namelijk priester worden. Het verklaart zijn religieuze opvoeding en zijn liefde voor Gregoriaanse gezangen. De kerk ruilde hij in de jaren zestig in voor rock ‘n roll. Reinders, afgestudeerd aan het conservatorium in Maastricht, vierde successen met zijn Engelstalige band Girls Walk By.
Hij verkende vervolgens het dialect. Eerste wapenfeit: Mien moder in ’45, over zijn moeder Grada, die tijdens een razzia aan het einde van de Tweede Wereldoorlog werd afgevoerd naar Ravensbrück en daarna Dachau. Ze zou de oorlog overleven, maar nooit meer dezelfde zijn, schrijft Reinders in het boek Het Zakdoekje, zijn zoektocht naar het verzetsverleden van zijn moeder, die thuis nooit over de oorlog wilde praten. ‘Ze was streng. Goed was niet goed genoeg. Moeder vond het maar niks dat ik muzikant wilde worden. ‘Daar kun je de kost niet mee verdienen’, zei ze.’
Toon Hermans
Voor Toon Hermans, en alleen voor Toon, wil hij nog een plaat maken. Ze werkten samen, vertelt Reinders, bij Toon thuis in Bosch en Duin, waar de cabaretier toen woonde. ‘Ik ben er drie jaar veel gekomen, soms wel twee, drie keer per week. We gingen vaak uit eten, in een sterrenrestaurant bij hem om de hoek.’ Proestend van de lach: ‘Toon betaalde. Ik moest van hem een tientje meenemen, als fooi’.
‘Toon vroeg of ik in kwam wonen, samen met Marjan. Nee, dat niet. Samen hadden we ontzettend veel lol, maar Toon had ook zijn nukken. Twee keer ben ik met ruzie bij hem vertrokken. De laatste keer was toen we bezig waren met zijn tweede plaat. Toon wilde mij als producer van zijn nieuwe plaat. Er was één probleem; zijn zoon Maurice drong zich op als co-producer. Dat wilde ik niet. Maurice wist namelijk niks van produceren. Toen ben ik opgestapt, tot grote woede van Toon. Vlak voor zijn dood ben ik nog bij hem thuis geweest. Ik had Blaosmuziek naar hem opgestuurd en toen zocht hij weer contact. We zijn fijn uit elkaar gegaan.’
Erfenis
Op zolder ligt de erfenis van hun samenwerking: zes kilo aan bandopnamen. Daar zit goud tussen, verzekert Reinders, zoals een liedje over Johan Cruijff en een gedicht over Carré, Hermans’ favoriete theaterzaal. Op zijn laptop laat hij flarden horen van een vastelaoveskraker in de dop, Ik heb ’t ei van Columbus laote valle. ‘Keileuk’, schatert Reinders, die een postuum uit te brengen album voor zich ziet. ‘Het zou fijn zijn
als de erven van Toon eens serieus kwamen praten.’
- Auteur: Bart Ebisch
- Fotograaf: Frank Ruiter
