

‘De taal van de bal spreken we allemaal’
InterviewDe Metropoolregio Brainport Eindhoven trekt professionals aan uit de hele wereld. Zij maken onze regio steeds internationaler; in bedrijven, op scholen en bij sportclubs ontmoeten allerlei verschillende nationaliteiten elkaar. Maar hoe breng je die samen? Hoofdtrainer Peter Bosz vertelt hoe hij dat aanpakt bij PSV. ‘Onze selectie telt twaalf nationaliteiten, maar die hebben één ding gemeen: liefde voor de bal. Daar focus ik op.’
Waar ben ik aan begonnen… Peter Bosz (62) kan niet ontkennen dat die woorden door zijn hoofd schoten toen hij in 1996 als profvoetballer aantrad bij het Japanse JEF United. Op zijn vierentwintigste had hij al een seizoen bij SC Toulon in Frankrijk gespeeld, waar hij ook de taal niet sprak, maar vergeleken met Japan stelde dat niks voor.
‘Ik ging wonen in Tokio, een drukke miljoenenstad. Maar omdat alles er extreem goed georganiseerd was, merkte je daar niks van: de treinen reden er exact op tijd, er lag niet één papiertje op straat. De inwoners waren beleefd en vriendelijk; niemand begon te dringen bij het in- en uitstappen en ze bogen naar elkaar bij wijze van begroeting: hoe groter hun respect, hoe dieper de buiging.’
‘Dat het uitsteken van je hand door Japanners als agressief wordt gezien, wist ik niet toen ik daar aankwam. Dat leerde ik pas nadat ik het een keer fout had gedaan. Er was veel dat ik niet begreep van de cultuur en de taalbarrière maakte het extra lastig. Op straat zag ik alleen vreemde tekens, ik kon er geen chocola van maken. Het was een enorme cultuurshock.’
Aanpassen
Toch hadden zijn twijfels vooral te maken met zijn vrouw en drie kinderen, die zich na drie weken bij hem voegden. ‘Ik weet nog dat we op een snikhete zomerdag met ons gezin naar een openbaar zwembad gingen. Mijn jongste was een echte wildebras in het water, maar dit was geen plek waar je bommetjes kon maken. In plaats daarvan liepen de Japanners rondjes in het zwembad, puur om af te koelen. Elk kwartier klonk er een fluitje en dan moest iedereen eruit, zodat de badmeesters konden controleren of er niemand op de bodem lag.’
Als volwassene ging Bosz mee in de Japanse cultuur: ‘Je past je aan, want je wilt graag integreren. Maar voor mijn oudste, die destijds in groep acht zat, was het cultuurverschil uiteindelijk toch te groot. Daarom keerden we na één seizoen terug naar Nederland.’
Anders kijken
Nu, bijna dertig jaar later, is Bosz als hoofdtrainer van PSV zélf degene die buitenlandse spelers ontvangt. Dat hij door zijn Japanse ervaring weet hoe het voelt om ‘de buitenstaander’ te zijn, maakt dat hij zich gemakkelijk in hen kan verplaatsen. ‘Ik weet hoe eenzaam het voelt als je niks begrijpt en met niemand kunt praten. En ook hoe fijn het dan is als een van je teamgenoten een stap naar voren zet om je dingen uit te leggen en bij het team te betrekken’, vertelt hij. ‘Toen ik in Frankrijk bij FC Toulon speelde, nodigde uitgerekend de speler die op dezelfde positie stond als ik mij uit voor een barbecue bij hem thuis. Tot dat moment beschouwde ik hem vooral als concurrent, maar door die uitnodiging ging ik echt anders naar hem kijken.’
Jaren later deed Bosz bij Feyenoord hetzelfde voor een Russische ploeggenoot. ‘Het was een stille jongen, hij voelde zich duidelijk nog niet op zijn gemak. Samen met een vriend en diens Russische vrouw besloten we hem en alle andere Russen die destijds in Nederland speelden – dat waren er drie – bij ons thuis uit te nodigen. Na enkele drankjes bleek mijn ploeggenoot best redelijk Engels te spreken, dat had hij daarvoor nog niet aangedurfd. Die avond heeft voor hem het ijs gebroken.’
Taal
Ondanks zijn begrip voor de positie van buitenlandse spelers spreekt Bosz tijdens zijn trainingen bij PSV altijd Nederlands. ‘De redenen daarvoor zijn simpel: die taal spreekt de meerderheid en bovendien kan ik me het beste uitdrukken in mijn eigen taal. De spelers vertalen mijn instructies vervolgens voor elkaar, er is altijd wel iemand die kan tolken. Ismael Saibari is zo iemand, die jongen spreekt zoveel talen en is altijd bereid om te helpen. Dat vind ik mooi.’
‘Dat de spelers voor elkaar vertalen, is nog nuttig ook, want de vertalers letten extra goed op en de buitenlandse speler wordt zo sneller onderdeel van de groep. Ik vind het belangrijk dat zij zelf ook hun best doen om te integreren, maar een beetje hulp met de taal is wel nodig.’
Food coach
Ook buiten de trainingen om worden de buitenlandse PSV’ers goed geholpen. ‘Onze spelersbegeleider Mart van den Heuvel is goud waard. Hij zorgt ervoor dat de basis geregeld wordt; een auto, verzekeringen en het belangrijkste: een fijn huis, want dat is de basis om je thuis te voelen.’
‘We hebben ook een food coach, die de spelers leert gezond te eten. Zij maakte Adamo Nagalo zelfs wegwijs in de Nederlandse supermarkt, want hij woont nu voor het eerst op zichzelf en kende onze producten niet. We eten regelmatig samen op de club, maar de spelers moeten ook voor zichzelf kunnen zorgen.’
Bosz houdt er niet van de culturele verschillen binnen zijn selectie te benadrukken. ‘Ik vind dat al snel generaliserend. Ik benader mijn spelers als individuen met een specifiek talent; voor mij zijn ze aanvaller, middenvelder of verdediger – geen Fransman, Marokkaan of Braziliaan. De regels gelden voor iedereen: goed eten, hard trainen, je rust pakken, op tijd komen. Als je te laat komt, spreek ik je aan op je professionaliteit, je culturele achtergrond heeft daar niets mee te maken. Wat helpt, is dat we in de voetballerij allemaal hetzelfde doel hebben: wedstrijden winnen. We zijn gericht op wat ons bindt, de teamgeest is sterk.’

Gelukkig
Het begeleidingsteam van PSV heeft ruime ervaring met internationalisering, maar dat geldt voor de meeste amateurclubs natuurlijk niet. Toch kunnen zij er volgens Bosz ook voor zorgen dat buitenlandse leden hun weg vinden binnen de club. ‘Ik begrijp dat het onwennig is om contact te maken met iemand die nauwelijks Nederlands spreekt. Maar voor die ander is het nog veel spannender. Het is belangrijk dat de club die eerste stap zet.’
Volgens Bosz is de voetbal zelf daarvoor hét middel. ‘De taal van de bal spreken we allemaal: schop gewoon een bal naar iemand toe. Als de bal terugkomt, heb je contact.’ Hoeveel zo’n simpele toenaderingspoging kan betekenen, ontdekte Bosz als kleine jongen al. ‘Toen ik een jaar of negen was, kwam er een Turks jongetje in onze straat wonen. Hij was een goede voetballer, dus vroeg ik aan mijn trainer of hij bij ons team mocht komen. Hij was dolgelukkig toen hij mee mocht doen. Amateurclubs kunnen echt verschil maken voor buitenlandse jongens en meisjes.’
- Auteur: Laura van der Burgt
- Fotograaf: Frank Ruiter















