

‘Die brand heeft het hele dorp geraakt’
InterviewVijfentwintig jaar geleden was Gerie Smit (40) in café ’t Hemeltje op de dijk in Volendam waar tijdens de nieuwjaarsnacht van 2000 op 2001 brand uitbrak. Er vielen 14 doden en 200 gewonden. Gerie was één van die gewonden. Meer dan de helft van haar lichaam was verbrand. Haar boek ‘Nieuwe Handen’ en haar documentaires ‘Daar praten we niet meer over’ en ‘Museum voor de Hemel’ gaan over deze ramp.
‘Ik ben een overlevende van de Volendambrand. Slachtoffer noem ik mezelf niet, ik heb een hekel aan dat woord. Zielig ben ik evenmin. Ja, die nacht is een zwarte bladzijde in mijn leven. En ja, die littekens zijn levenslang. Maar ik heb een leuk leven en een fijne jeugd gehad.
Die bewuste oudejaarsavond had ik een missie. Ik wist dat de jongen op wie ik verliefd was in ’t Hemeltje zou zijn, dus stapte ik daar net na twaalven naar binnen. Omdat het erg druk was, besloot mijn vriendin rechtsomkeert te maken. Ik niet. Ik bleef. Op het moment dat er brand uitbrak en er een steekvlam op me afkwam, stonden die jongen en ik te zoenen. Voor ik het wist, lag ik op de grond. Toen ik bijkwam en zag dat alles donker was, dacht ik: het is zover. Ik ga dood. Hoe weet ik niet – mijn laarzen zaten aan de vloer vastgesmolten – maar het lukte me om op te staan. Iemand riep “blijf liggen, de brand is nog niet uit” en toen viel ik weer weg. De minuten die daarop volgden, ben ik kwijt.’
Doodstil
‘Mijn eerste herinnering is dat ik buiten op de dijk sta. Hoe ik daar gekomen ben, geen idee. Ik zag de vellen op mijn handen en wist: deze blaren kon mijn moeder niet oplossen, daarvoor moest ik even naar het ziekenhuis. Mijn voorhoofd prikte en daar baalde ik van, maar verder had ik nergens pijn. Later bleek waarom. Daar waar het prikte, was ik tweedegraads verbrand. Op mijn rug, armen, benen en handen zaten derdegraads brandwonden, die gingen tot aan mijn zenuwen, waardoor ik niets voelde.
Intussen reden de ambulances af en aan, maar mij lieten ze zitten. Urenlang. Ik snapte het wel. Er waren te veel slachtoffers, ze moesten keuzes maken en niemand had in de gaten dat mijn rug ernstig verbrand was. Achteraf bleek dat ik er beter van af was gekomen als ik eerder was gekoeld. Nu had de hitte alle tijd gehad om door te smeulen in mijn lijf. Uiteindelijk ben ik, samen met een klasgenoot, in een ambulance naar het VU-ziekenhuis gebracht. Ook in het ziekenhuis had ik nog praatjes. Tot mijn spijkerbroek en truitje werden opengeknipt, toen werd het stil. Doodstil.
Lol
Drie weken later werd ik wakker. Het eerste wat ik zag, waren alle beterschapskaarten. Praten kon ik niet, ik zat aan de beademing. Bewegen lukte ook niet. Mijn handen waren vastgebonden en mijn lichaam was als een mummie ingepakt. Informatie over wat er gebeurd was en wat mijn vooruitzichten waren, kreeg ik niet. Gek werd ik daarvan. Mijn gedachten gingen met mij aan de haal. Ik dacht: óf iedereen is er goed uitgekomen en ik ben de enige stumper die in het ziekenhuis ligt óf iedereen is dood. Achteraf begreep ik waarom ze me niets vertelden, ik kon nog elk moment doodgaan.
De weken dat ik, na de IC, op zaal lag met andere gewonde Volendammers, waren, hoe gek het ook klinkt, een mooie tijd. We vonden steun bij elkaar en hadden lol. In plaats van zielig te liggen zijn, gingen we de strijd aan. Wie kon wat als eerste? Lopen bijvoorbeeld. Of met mes en vork eten.’

Niet praten, maar pellen
‘Eind februari mocht ik naar huis om daar verder te revalideren. Mijn moeder huilde toen ze mijn lichaam zag, maar die littekens waren the least of my concerns. Ik wilde mijn leven oppakken. Naar school, atletiek, wielrennen. Maar ja, ik woog veertig kilo en was na tientallen operaties veel te zwak. Mijn frustraties reageerde ik thuis af en op school. Het idee van een slachtofferklasje voor gym vond ik belachelijk en ik zat ook niet te wachten op een psycholoog of praatsessie met lotgenoten.
Heus, ik snap dat het allemaal goed bedoeld was en het heeft veel andere betrokkenen echt geholpen, maar voor mij hoefde het niet. Wat dat betreft ben ik een typische Volendamse. Niet praten, maar pellen. Doorgaan dus, loskomen van het stigma “bijzonder” of “zielig” en zo snel mogelijk weer “gewoon Gerie” kunnen zijn. Al moest ik daarvoor eerst in Amsterdam gaan studeren. Tijdens de introductieweek leerde ik iemand kennen in een rolstoel, iemand zonder arm, een meisje van 1 meter 40 en een jongen van 2 meter 30. Eindelijk. Er waren meer mensen die “iets” hadden. Ik viel niet meer op.’
Niets meer uitstellen
‘Aan gepsychologiseer en traumaverwerking mocht ik dan geen behoefte hebben, blijkbaar moest ik toch iéts met wat mij, wat ons was overkomen. Mijn behoefte om het verhaal te vertellen, werd steeds groter. Vijftien jaar geleden heb ik mijn autobiografie geschreven en inmiddels heb ik twee documentaires over de ramp gemaakt. Ook was ik de kartrekker van de expositie ‘Onderbroken tijd’, die afgelopen winter te zien was in het Volendams Museum. Vrienden en familie waren in eerste instantie verbaasd dat ik zoveel aandacht besteedde aan het onderwerp waar ik eigenlijk niet meer mee geassocieerd wilde worden, maar voor mij was het belangrijk het verhaal te vertellen van de mensen wier verhaal niet eerder is gehoord.
Die brand heeft het hele dorp geraakt. Niet alleen de mensen met littekens of de mensen die dierbaren hebben verloren, maar bijvoorbeeld óók mijn vriendin die die bewuste nacht naar buiten was gegaan omdat ze het te druk vond in ’t Hemeltje. Ook zij is gedupeerd. Zij heeft de paniek gevoeld, schreeuwende mensen gehoord, lijken gezien. Daarover praten deed ze niet. Ze had geen recht van spreken, vond ze, want zij leefde nog en had geen brandwonden.
Of ik door de ramp een andere Gerie ben geworden, weet ik niet. Ik was toen nog zo jong. Maar ik denk wel dat, doordat de dood voor mijn deur heeft gestaan, doordat ik heb ervaren dat het leven in één klap voorbij kan zijn, ik niets meer uitstel. Ik haal alles uit het leven en grijp alles aan wat voorbij komt. Een expositie? Ik doe mee. De zeevaartschool? Ja hoor, is vast te combineren met mijn werk. Een BZN-fandag organiseren? Natuurlijk. Binnenkort met manlief al zeilend de wereld rond? Ik kan niet wachten.’
- Auteur: Ymke van Zwoll
- Fotograaf: Frank Ruiter














