7 min

Leven in de brouwerij in Ruinen

Reportage

Waarom Ruinen eigenlijk geen eigen bier had, vroeg een groep Runers zich in 2014 af. Ze rekenden, tekenden, experimenteerden, vielen en krabbelden weer op. Gingen een leegstaande doorloopstal verbouwen én hun eigen hop. Acht jaar later heeft het dorp een eigen brouwerij, waar behalve de dorpelingen ook de imkervereniging, de archeologische werkgroep en een zorginstelling van profiteren. En, als het aan de mannen ligt, stopt het daar niet.

De regen deert Jacob Wenzek niet. Het mag dan fris zijn, flink waaien en de regen mag met bakken uit de lucht vallen, hij wiedt onverstoorbaar verder in zijn korte broek. Pluk, trek, pluk, trek. Hup, daar gaat weer een dot onkruid, met kluit en al. En nog eentje. 

Wenzek en zijn vijf collega’s zijn cliënten van Oranjeborg, een zorginstelling die een vangnet biedt aan mannen met een verstandelijke beperking en vaak ook nog andere problemen. Zo’n drie, vier keer per jaar komen ze werken bij brouwerij Jutndel in het Drentse Ruinen. Maar wacht even, onkruid wieden bij een brouwerij? Jazeker, want de brouwers hebben sinds 2021 een tuin waar ze hun eigen hop verbouwen. Hoe kleiner de cirkel van produceren naar consumeren, hoe beter. 

Hoe gaat zoiets? ‘Het begint ermee dat we allemaal van een biertje houden’, lacht Roel van Bezoen, een van de mannen van het eerste uur. Ze zaten op een terras op de Brink met een groepje dorpsgenoten – ergens in 2014 was het – toen iemand zich hardop afvroeg waarom Ruinen geen eigen bier had. Voor de grap, eigenlijk, maar ook weer niet helemaal. Ze mijmerden verder, bedachten zich dat er vroeger in het dorp een klooster had gestaan, en reken maar dat die monniken bier brouwden, dat kon toch niet anders?

Er werden balpennen uit borstzakjes gehaald, er werden bierviltjes omgedraaid waar de eerste plannen op verschenen. Toen ze ook nog een verdwaalde hopplant vonden, fantaseerden ze dat het er nog eentje uit de kloostertijd was, een verre nazaat. ‘Nou, en toen zijn we, zonder iets te weten, in een potje gaan roeren. Het potje ging vervolgens op een kookplaat en nu kunnen we vijfhonderd liter brouwen.’

Proeverijen

Vijf verschillende bieren brouwen de heren inmiddels, van Weizen tot tripel. Verschillende horecagelegenheden in het dorp hebben Jutndel op de bierkaart staan. Die naam was niet moeilijk te bedenken. Jutndel is een streekje ten noorden van Ruinen, een boerderij aan de rand van het dorp die jarenlang leeg heeft gestaan. Daar zijn de brouwers in 2014 neergestreken. Als ze dan bier maakten, redeneerden ze, hadden ze ook een plek nodig om proeverijen te kunnen houden. 

Aan de oude stal moest nog wel van alles gebeuren, vertelt voorzitter Wessel Steenbergen, want die was in al die jaren aardig vervallen geraakt. Ze sprokkelden hier wat sloophout vandaan, daar wat andere secundaire bouwmaterialen. Het hout tegen het plafond en de lampen waren eerst van een sloperij; nu zijn ze een nieuw leven begonnen. Binnen staat een grote tafel voor proeverijen, buiten onder de overkapping nog eentje. Twee vuurkorven voor als er eens een feestje is, of een barbecue.

Natuureducatie

De mannen vroegen subsidies aan en hengelden giften binnen, investeerden ook zelf, vertimmerden, verbouwden, veel dorpsgenoten kwamen helpen, en toen zei een van hen: ‘Goh, jullie hebben hier zo’n mooie plek, ik weet toevallig dat de imkervereniging ruimte tekort komt. Kunnen jullie niet eens praten?’ 

‘Onze bijenstal moest verplaatst’, vertelt voorzitter Willem Wobben van de vereniging Ruiner Imkers, die ook is aangeschoven. ‘Toen kwamen we kijken en zagen we meteen dat we hier een prachtig mooie plek voor natuureducatie konden maken.’

ZewildenRuineneeneigenbiergeven,verderdachtenzeniet.Entoenkwamendebijenerbij,endearcheologen,endeteelt,endedagbesteding

Alsof het een estafetteloop is, neemt Luuk Nijstad het stokje over. ‘Wist je dat Ruinen zo’n anderhalve eeuw geleden een bijenhoofdstad was?’ vraagt hij. Nijstad is van de Archeologische Werkgroep Ruinen, die sinds 2025 óók een plekje heeft in de brouwerij annex bijenstal annex sociale werkplaats. De amateurarcheologen vergaderen bij Jutndel en ontmoeten elkaar hier, voor ze gewapend met metaaldetectoren en wichelroedes het land in trekken op zoek naar sporen van verre voorouders. Hoog op de verlanglijst staat het vinden van Nijenhave, het kasteel van zo’n vijf eeuwen geleden, de vereniging is er al jaren mee bezig. 

Zo’n honderdvijftig jaar geleden had je hier heel veel kleine keuterboertjes, vervolgt Nijstad, die vooral heidehoning maakten, van de heide op het Dwingelderveld. ‘Maar daar kwam door de industrialisatie een einde aan.’ Nu zit de imkerij weer enorm in de lift, zegt Wobben. ‘Het ging een tijd wat minder, maar nu zijn we enorm gegroeid; voor cursussen is er zelfs een wachtlijst.’ ‘Kruisbestuiving’, lacht Van Bezoen.

Eigen hop

Oké, dat is een grapje, zegt hij, maar als je in een toeristisch gebied woont zoals zij, bij natuurgebied Dwingelderveld, kun je daar wel degelijk een heel mooi verhaal bij vertellen. ‘Dat verhaal begint met de schaapskudde die op de hei loopt en de mest die ze produceert. Die mest kun je gebruiken om gerst te verbouwen, en die zou je weer kunnen laten schroten door de molen een eindje verderop. Nou, en hier wordt het bier gebrouwen en houden we proeverijen. De verbinding van klooster en veld.’

Het verhaal gaat nog verder, want toen Van Bezoen en Steenbergen hoorden over een sierheesterkweker die net met hop gestopt was en dus spullen over had – én heel veel kennis – besloten ze deze kweker, Cor van den Berg, eens een bezoekje te brengen. ‘De palen en alles had ik nog’, vertelt die. ‘En toen heb ik deze heren de teelt van hop bijgebracht.’

Nu zijn er alleen nog palen te zien, en Jacob Wenzek en zijn collega’s, verwoed wiedend, maar het bordje in het gras belooft dat het hier over een tijdje vol zal staan met humulus lupulus – hop dus. Dat wordt de volgende stap, zelfgeteelde hop om het bier nóg lokaler te maken. ‘En het is nog goedkoper ook’, valt Van Bezoen bij. ‘Hop is nu hartstikke duur.’

De mannen kozen bewust voor een corporatie als rechtsvorm. ‘Dit past het beste bij ons. We zijn met zeven leden en leggen allemaal geld in, en we proberen anderen te enthousiasmeren. Daarom hebben we ook een club vrienden, zo’n honderdvijftig zijn dat er. Voor een kleine bijdrage krijgen die vier keer per jaar een leuk blaadje waarin we ze op de hoogte houden. Eens per jaar houden we voor hen een barbecue met live muziek, om hen te bedanken en om ze te laten proeven wat we gebrouwen hebben.’ Een vaste fanschare biedt een stevige basis. ‘Het biedt ook een zekere binding. Als deze mensen een personeelsuitje hebben, of een ander feestje, is de kans groot dat ze dat hier bij ons komen vieren.’

Iets teruggeven

Deze vorm – spontaan, ongedwongen, lokaal – past bij de organische manier waarop Jutndel tot nu toe steeds ‘per ongeluk’ iets groter is geworden. Ook de connectie met zorginstelling Oranjeborg kwam eigenlijk vanzelf, zegt Steenbergen, die er wat mensen kende. Ze raakten in gesprek en toen is van het een het ander gekomen. Nu helpen de mannen van de zorginstelling bij het onderhoud van de tuin. Daar worden de brouwers blij van, maar ook die mannen zelf, want zij vinden hier een waardevolle dagbesteding. 

Het is fijn, zegt Jacob Wenzek, om hier te werken, je bent lekker buiten, met de collega’s. Hij lacht verlegen, denkt even na, kiest zijn woorden weloverwogen. ‘En het is goed om iets te kunnen teruggeven aan de maatschappij’, zegt hij dan. 

Een specifiek doel hadden ze niet, althans, ze wilden Ruinen een eigen bier geven, verder dachten ze niet, behalve dat ze het in elk geval samen wilden doen en dat het dorp er blij van moest worden. En toen kwamen de bijen erbij, en de archeologen. Met meer mensen sta je veel sterker als er bijvoorbeeld subsidies moeten worden aangevraagd, zeggen de mannen: meer mensen is meer kennis, samenwerking maakt alles beter. 

Nou ja, álles… 

Als je dan toch brouwers en imkers op één plek hebt, dan probeer je wel eens wat, zoals die ene keer dat ze zich afvroegen: bier van heidehoning, zou dat werken? Willem Wobben schiet in de lach. Lekker was het zeker, zegt hij, met de smaak was niets mis. ‘Maar de dop knalde eraf.’

  • Auteur: Karin Sitalsing
  • Fotograaf: Reyer Boxem

Deze hele editie lezen?

Selecteer jouw regio
Zomer 2026

Dit artikel is gepubliceerd in de editie van zomer 2026 en is in meerdere regio's te lezen. Lees de editie uit jouw regio of een van de andere mooie edities.

Meer lezen over deze onderwerpen?

    • De toekomst van...
    • Duurzaamheid
    • Innovatie

    Zeewiermest

    • Reportage
    • Buurtgevoel
    • Grote Steden

    Een dag voor in de boeken

    • De toekomst van...
    • Gezondheid
    • Innovatie

    De geestelijke gezondheidszorg

    • Investeren in elkaar
    • Coöperatie
    • Jong & Impact

    Roots Budel: fine dining met wortels in de gemeenschap

    • Oud & Nieuw
    • Diversiteit en Inclusie
    • Gezondheid

    ‘Het moeilijkste is het mentale stukje’

    • Achtergrondverhaal
    • Natuur
    • Buurtgevoel

    Op plastic schattenjacht met Captain Fanplastic

    • Reportage
    • Duurzaamheid
    • Buurtgevoel

    Met de koffiemachine naar het Repair Café

    • De toekomst van...
    • Duurzaamheid
    • Energietransitie

    Geothermie

    • Oud & Nieuw
    • Familiebedrijven
    • Jong & Impact

    Naar hartelust selfies maken tussen de tulpen

    • Achtergrondverhaal
    • Duurzaamheid
    • Energietransitie

    Orchideeën van hoge kwaliteit, met aandacht voor duurzaamheid

  • bekijk alle artikelen

    Wat vind jij van de digitale Rabo &Co?

    Wat fijn dat je je mening wilt geven over de digitale Rabo &Co. Daar zijn we heel blij mee.

    max. 500 tekens