

‘Ik voel me boer én horecabaas, ze noemen me oboer’
Oud & NieuwDoe maar normaal, dan doe je al gek genoeg, leerde Reinier Kempenaar (52) van zijn ouders. ‘Maar hij heeft niet goed geluisterd’, lacht zijn moeder. ‘En dat is maar goed ook, want anders had hij nooit zo’n mooie zaak gemaakt.’ Die zaak, restaurant De Dyck op hun boerderij in Rijnsaterwoude, werd vorig jaar bekroond met een groene Michelinster. Reinier glimt van trots als hij terugdenkt aan de uitreiking. ‘Sta je daar ineens in het DeLaMar-theater tussen alle grote horecajongens.’
ELF JAAR GELEDEN, toen Reinier Kempenaar besloot om een restaurant te beginnen op zijn akkerbouwbedrijf in Rijnsaterwoude, had hij een groene Michelinster niet voor mogelijk gehouden. Die groene ster krijgt het restaurant niet alleen omdat er op hoog niveau gekookt wordt, maar ook omdat het ‘onderscheidend bezig is’ op het gebied van duurzaamheid. Negentig procent van al het eten dat in restaurant De Dyck op tafel komt, is van eigen boerderij.
Het is maar goed, lacht Reinier (52), dat hij van tevoren niet wist hoe ingewikkeld het was om van je akkerbouwbedrijf een goedlopend restaurant te maken ‘Ik zeg altijd tegen mensen die ernaar vragen dat ik een “Ik vertrek” heb gedaan, maar dan op mijn eigen boerderij. Ik heb mij zonder enige ervaring in een avontuur gestort. En ben blij dat ik het gedurfd heb.’
Zijn ouders, van wie hij het boerenbedrijf in 1997 overnam, zijn trots op hem. ‘Hij heeft er een mooie zaak van gemaakt’, vindt vader Arie. Moeder Gre vindt het knap dat Reinier het heeft aangedurfd om het over een andere boeg te gooien. Zelf hebben zijn ouders ook stevig hun stempel op het bedrijf gedrukt, vindt Reinier. ‘Jullie zijn meegegaan in de schaalvergroting van het boerenbedrijf. Dat waren ook moeilijke beslissingen en grote investeringen.’ Maar dat vindt zijn moeder toch anders. ‘Dat lag in het verlengde van wat we deden. Jij hebt er echt iets nieuws van gemaakt.’

Weidsheid
In de immense boerenschuur uit 1934, onder aan de Woudsedijk, liet Reinier een modern restaurant bouwen. Het biedt plaats aan ongeveer veertig gasten, die uitzicht hebben op de gestapelde strobalen, een tractor en een ploeg. Verderop, in de verbouwde wagenschuur, is nog een tweede ruimte, voor vergaderingen en partijen. Daarboven is een kleine koffiekamer met een glazen pui die uitzicht biedt over de Vierambachtspolder. De dag is grijs en de regen klettert tegen het raam, maar dat doet niets af aan de schoonheid van de uitgestrekte polder. ‘Mooi hè, die weidsheid. Mensen gaan dit gebied steeds meer waarderen. Daar ben ik blij om.’
Vader en moeder helpen nog altijd een handje mee in het bedrijf. Moeder voert dagelijks de varkens en vader zorgt voor de scharrelkippen. Ook helpen ze af en toe mee in de halve hectare grote moestuin waar de groente en het fruit voor het restaurant groeien. Daar maakt chefkok Martijn Koeleman vegetarische hoogstandjes van. Het biologische vlees van eigen boerderij en de vis die als bijvangst uit de Noordzee komt, kunnen gasten kiezen als bijgerechten.
Kritisch
Toen Reinier in 1997 de boerderij van zijn ouders overnam, zette hij het akkerbouwbedrijf op oude voet voort. Maar gaandeweg kreeg hij steeds minder vertrouwen in de grootschalige akkerbouw. ‘Bij vrienden in Noord-Frankrijk zag ik die enorme landerijen en hun gigantische machines. Ik realiseerde mij dat wij daar niet tegenop kunnen werken en dat we dat ook helemaal niet moeten willen. Ons land is er te dichtbevolkt voor en onze polderwegen te smal. Die kunnen die zware machines helemaal niet aan. Het past hier gewoon niet.’
Hij werd ook steeds kritischer ten aanzien van de machtige voedingsindustrie die, vindt hij, boeren richting schaalvergroting dwingt en hen voor een steeds lagere prijs laat produceren. ‘Die 250 koeien in een stal: dat is allemaal ten dienste van multinationals als Nestlé. Omdat in elke Mars en koek melk en eieren moeten. Daar is niks gezonds en niets duurzaams aan.’
Oboer
Zo groeide de gedachte om zich te richten op gezonde en duurzame voeding tegen een eerlijke prijs. In 2012 ging de eerste heipaal de grond in voor zijn restaurant. ‘En een jaar later was ik failliet. Achteraf kunnen we vaststellen dat dat allemaal veel te snel ging. En dat ik mij met een akkerbouwbedrijf én een biologisch restaurant op te veel dingen tegelijk richtte.’
Hij maakte een doorstart door een groot deel van zijn grond te verkopen. ‘Dat was heel moeilijk voor ons. Want boeren verkopen nooit grond.’ Zijn ouders knikken. Moeder: ‘Maar het was zakelijk gezien misschien ook je beste besluit.’ Reinier beaamt dat. ‘De ondernemersgoeroes hebben gelijk: focus in je bedrijf is noodzakelijk. Je kunt geen boer en horecabaas tegelijk zijn. Alhoewel ik me wel beiden voel. Mijn medewerkers noemen me altijd oboer als ik in de bediening loop.’
Toen hij de zaak weer draaiende had en de rust was weergekeerd, volgde een nieuw drama: de coronapandemie. Reinier: ‘Maar ook daar is iets goeds uit voortgekomen. Martijn was hier namelijk net aan het werk gegaan toen we dicht moesten. De lockdown gaf ons de tijd en ruimte om echt iets goeds uit te denken en op tafel te zetten. En dat is gelukkig niet onopgemerkt gebleven.’
- Auteur: Marijn Kramp
- Fotograaf: Merlijn Doomernik















